Vorige week las ik een artikel op Wonen360 dat me niet meer losliet. Lidl verkoopt een loungestoel voor €149. Laag, gevouwen, met die kenmerkende rimpels in de stof. Precies de look van de Togo van Ligne Roset. Precies. Ik las het, keek naar de foto, en dacht: eigenlijk is dit een vraag die veel verder gaat dan dit meubel.

Want waarom willen we dit eigenlijk?

Niet de stoel. De uitstraling. Het gevoel. De sfeer die er op Instagram bij hoort. Een warme woonkamer, een glas wijn, misschien een kaars. En die stoel als middelpunt. Als je hem zo ziet, als decor, dan snapt die €149 zich bijna vanzelf. Het is een goedkoop filter voor je huis.

Maar je huis is geen Instagram-feed.

 

Ik werk al jaren als interieurontwerper, en ik leer nog steeds dingen van mijn klanten. Eén van de meest eerlijke dingen die ik ooit van iemand hoorde, was dit: “Ik wilde eigenlijk gewoon dat het eruitzag alsof ik goede smaak had.” Ze zei het een beetje beschaamd. Maar ik vond het juist heel helder. Want dat is precies wat een kopie doet. Hij leent de smaak van iemand anders. Michel Ducaroy dacht in 1973 iets uit wat niemand ooit eerder had gedacht: een stoel zonder frame, volledig opgebouwd uit schuim, die eruitziet als een knuffelbaar landschap. Dat was zijn gedachte. Zijn handtekening.

Als jij een kopie koopt, hang jij zijn handtekening aan je muur. Maar het is zijn naam, niet de jouwe.

Dat klinkt misschien streng. Dat bedoel ik niet zo. Maar ik geloof wel dat er iets verloren gaat als je een interieur opbouwt op basis van hoe dingen eruit zien, in plaats van wat ze voor jou betekenen. Een huis dat alleen bestaat uit ‘de look’ van andere mensen, voelt uiteindelijk leeg. Niet goedkoop. Leeg.

 

Het ingewikkelde is: inspiratie en kopiëren lijken op elkaar, maar zijn fundamenteel anders.

In mijn werk laat ik me constant inspireren. Door een kleur in een oude vloertegel. Door de manier waarop licht op een bepaald materiaal valt. Door een stoel die ik ergens zie staan en die iets in me raakt. Dat is de bedoeling, zo werkt ontwerpen. Maar er zit een verschil tussen: dit raakt me, hoe vertaal ik dat naar iets wat bij jou past en dit ziet er goed uit, laten we dat namaken.

Het eerste vraagt om nadenken. Om eerlijk zijn. Om een eigen keuze maken. Het tweede is eigenlijk gewoon… niet nadenken.

En eerlijk gezegd is dat ook het probleem met veel van die goedkope meubels. Niet de prijs. De gedachteloosheid. Ze zijn gemaakt om een trend te vangen en te verkopen voordat de trend voorbij is. Geen verhaal, geen ambitie, geen duurzaamheid. Koop je een meubel omdat het er nu goed uitziet op foto’s, dan heb je over drie jaar een meubel dat nergens meer bij past. En dan begint het opnieuw.

 

Ik begrijp heel goed dat een originele Togo niet voor iedereen haalbaar is. Dat hoeft ook niet. Maar dat is precies het punt: je hebt geen Togo nodig. Je hebt iets nodig dat bij jóu past. Iets wat jouw verhaal vertelt, niet het verhaal van een Frans designmerk uit 1973.

Dat kan een stoel zijn die je voor twintig euro vond op de vlooienmarkt en die je liet bekleden in een stof die je al jaren bijhoudt. Dat kan een erfstuk zijn van je oma, dat in de hoek staat terwijl iedereen vraagt waar je hem vandaan hebt. Dat kan ook een gloednieuwe stoel zijn van een ontwerper die je echt raakt, waarbij je het gevoel hebt: dit is van mij, dit klopt.

Dát is een interieur. Niet een verzameling dingen die er goed uitzien op een foto.

 

De Lidl-stoel brengt me terug naar die vraag: waarom willen we dit eigenlijk?

Ik denk dat het antwoord iets zegt over hoe we naar ons huis kijken. Als een podium voor een bepaald beeld van onszelf, of als een plek die echt van ons is.

Dat is geen morele keuze. Het is een persoonlijke. Maar het is wel een keuze die het waard is om te maken. Bewust, in plaats van gedachteloos.

Want je huis kijkt je elke dag aan. Het zou fijn zijn als het terugkijkt met jóuw ogen.

Liefs van,

Pin It on Pinterest